Kruibeke.
Het
voormalige Kruibeke voerde in een veld van groen een stappende eenhoorn van
zilver met een paardenstaart van zilver. Het wapen werd erkend bij
koninklijk besluit van 16 februari 1847.
De keuze
van de eenhoorn werd kennelijk geïnspireerd door het wapen van de familie de
Lanfranchi, die in het bezit van de heerlijkheid Kruibeke was van 1594 tot
aan het einde van het Oude Regiem. Dat wapen droeg immers als helmteken een
uitspringende eenhoorn van zilver met hoorn, manen en hoeven van goud.
De
eenhoorn is geen reëel bestaand dier. Hij is een fabeldier een product van
de menselijke verbeelding zoals de draak, de griffoen en de sfinx.
In de
wapenschilden wordt de eenhoorn "voorgesteld als een paard of. veulen met
lange, gedraaide hoorn op het voorhoofd, geitenbaard gespleten hoeren en een
leeuwenstaart." In Duitse wapens is de hoorn soms gebogen en wordt de
eenhoorn wel met leeuwenvoorbenen en met adelaarsklauwen aan de achterbenen
voorgesteld... Hij kan klimmend en springend zijn en wordt "op zijn hoede"
genoemd als hij zijn kop neerbuigt en zijn hoorn voorhoudt. Zittend is hij,
als hij zit en zijn voorpoten op de grond laat rusten, opzittend wanneer hij
zit maar zijn voorpoten opgericht houdt, liggend wanneer hij rustig
neerligt" (C. Paraaf : Heraldiek en genealogie. - Antwerpen 1969, bis. 89).
Over de
betekenis van de eenhoorn als wapenfiguur lezen we :
"Deze
figuur is het beeld van de maagdelijkheid, dapperheid en strijdlust. Is de
hoorn gedraaid, dan is daarmee een gemshoorn bedoeld, die volgens de
fantasie der wensen vergiftigd zou zijn" (Elzeviers encyclopedie van de
heraldiek. Brussel 1961, blz. 88).
Volgens
sommige schrijvers was de eenhoorn al gekend bij de Oude Perzen, voor wie
hij het symbool van de zuiverheid was.
In het
verbeeldingsleven van de middeleeuwers heeft hij, evenals de draak, een
ruime plaats gehad. Maar de middeleeuwers zagen hem als een klein dier, niet
groter dan een bok, uitermate wild, krachtig en strijdlustig. Geen jager
kreeg hem ooit te vangen. Bij het zien van een reine maagd evenwel legde hij
alle overmoed en wildheid af. Hij vleide zich neer in haar schoot en legde
zich daar te slapen. En de maagd kon hem leiden waarheen ze wilde.
Dat
volksgeloof was in de middeleeuwen algemeen. De bronnen die er melding van
maken zijn talrijk en verspreid. Ook bij Jacob van Maerlant vinden we het
vermeld (uitvoeriger hierover bij A. De Cock : Spreekwoorden, gezegden en
uitdrukkingen op volksgeloof berustend. - Antwerpen 1920, I blz. 153-155).
Geen
wonder dan dat vele herbergen in de middeleeuwen de eenhoorn als
uithangteken hebben gehad.
Te Bazel
heeft een van die uithangtekenen het overleefd tot op onze dagen. Ook
apotheken droegen de eenhoorn als uithangteken, omdat men geloofde dat zijn
gedraaide hoorn een tegengift bevatte.
Hebben zij
die het Kruibeekse gemeentewapen ontwierpen, weet gehad van het middeleeuwse
volksgeloof aangaande de eenhoorn ?
Zo ja, dan
hebben ze - door de eenhoorn als wapenfiguur te kiezen - mogelijk dit willen
zeggen : "Wij Kruibekenaars, zijn sterk, wild, strijdlustig. We laten ons
niet vangen ! We leggen wel onze overmoed af voor de Heilige Maagd, de
patrones van onze parochie". De betekenis van het Kruibeekse gemeentewapen
kan alleszins zo omschreven worden.
De vlag van Kruibeke was van groen en wit, het groen aan de stok
A.Maris
Tijdschrift 3-1978/2