Tijdschrift nr. 4/2017

In een tijd waarin de toekomst van de leegstaande
kerkgebouwen zowat overal in vraag wordt gesteld
lijkt het mij aangewezen om het lokale aspect hieromtrent
niet uit het oog te verliezen.
In het voorjaar had ik nog het genoegen rondom dit
thema een studiedag bij te wonen in Mechelen. Het
leek mij dan ook verwonderlijk dat ik op een hier onlangs
gehouden bijeenkomst aangaande deze thematiek,
als voorzitter van een vereniging die zich bezig
houdt met erfgoed, niet werd uitgenodigd.
Maar goed, dat zal dan wel zijn reden hebben.
Ondanks de interesse in de toekomst van onze kerkgebouwen
reikt mijn bezorgdheid in de herbestemming
van het religieus erfgoed nog verder. Misschien
is het vandaag nog niet aan de orde, maar wat in de
verre toekomst met meubilair, zilverwerk en textiel.
Deze voorwerpen hebben of hadden allemaal een
functie binnen het gebouw en/of de liturgie. Veel religieus
erfgoed is niet ontsloten voor het publiek. Een
aanzienlijk deel is zelfs onbekend voor de zogeheten
erfgoedzorgers die ondanks goede bedoelingen, onvoldoende
kennis bezitten. Vergeet niet dat vele kostbare
objecten waarvoor ontegensprekelijk veel zorg
is gedragen, vaak schenkingen waren van plaatselijke
adellijke families of notabelen in de dorpsgemeenschap.
Alleen al daarom maakt het deel uit van het
streekgebonden patrimonium. Met andere woorden,
de context is erg belangrijk, religieus erfgoed krijgt
zijn betekenislagen bij uitstek door de context waarin
het zich bevindt. Veel materiaal verliest sterk aan betekenis
als het uit zijn omgeving wordt verwijderd. De
vraag rijst dan ook, hoe kan je op een onderbouwde,
rationele manier omgaan en verantwoordelijke keuzes
maken? Wat zijn de opties? Allemaal vragen die
op een doordachte manier moeten benaderd worden.
Een uitdaging waar een team, gesteund door het advies
van verschillende organisaties, zijn schouders
dient te zetten. De samenstelling van dergelijk team
vormt alleszins nog een mooie uitdaging.
Hiermee zijn we in een nieuw jaar aangeland, voor
mij het veertigste als bestuurslid, waarvan maar liefst
dertig jaar als voorzitter. Met enige bescheidenheid
ben ik fier op wat ik voor de kring heb kunnen realiseren,
zowel op het materiële als op datgene wat
heemkunde inhoud. Vele mooie momenten blijf ik
koesteren. Ik ben er mij ten zeerste van bewust, dat
het niet iedereen gegund is om 30 jaar als voorzitter
te mogen fungeren. Maar er is ook zoiets als ‘De tijd
van komen en gaan’ Als God het belieft maak ik in het
najaar (september) die dertig jaar rond. Het weze mij
gegund het tot dan wat rustiger aan doen, tot spijt van
wie het benijd!

Tijdschrift 4/2017